Een andere fictieregeling is de zogeheten uitzendregeling. Hoewel uitzending geen wettelijke eis is, is het doorgaans wel die situatie waarin de regeling over het algemeen toepassing vindt. De woning kan dan voor de heffing van inkomstenbelasting op verzoek van de belastingplichtige nog steeds worden aangemerkt als eigen woning. Ook daaraan zijn voorwaarden gesteld. Zo moet de woning de belastingplichtige tijdelijk niet als hoofdverblijf dienen. Dat is bij tijdelijke uitzending natuurlijk het geval.
Maar in een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant lagen de feiten toch anders (ECLI:NL:RBZWB:2025:8780). Daar was de woningeigenares verhuisd naar Zweden, waar zij een arbeidscontract voor onbepaalde tijd en een langdurig huurcontract had gesloten. Dat de woning in Nederland haar daarmee slechts tijdelijk niet als hoofdverblijf zou dienen, kon zij niet aannemelijk maken. Daarmee viel het doek voor de toepassing van de eigenwoningregeling.
De eigenwoningregeling kan bij wijze van hoofdregel alleen gelden voor de woning die als hoofdverblijf dient. Maar de wetgever heeft het begrip ‘eigen woning’ in bepaalde situaties verruimd. Zo kan het voormalige hoofdverblijf gedurende een zekere periode een eigen woning blijven als deze leeg staat en voor verkoop bestemd is.
Ook in de spiegelbeeldsituatie - het toekomstige hoofdverblijf - kan de eigenwoningregeling toepassing vinden. Daar heeft de wetgever uiteraard voorwaarden aan gesteld. Zo moet de woning leeg staan of in aanbouw zijn. Vorig jaar heeft hof Den Bosch over deze situatie een uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHSHE:2025:2854).
Het ging in die zaak om een Duits echtpaar. Sinds 2011 hebben zij een woning in Nederland. De woning wordt niet verhuurd. Na het overlijden van zijn echtgenote verhuist de man eind 2021 naar de woning in Nederland. Het gaat in deze procedure over de belastingjaren 2017 en 2018. In die jaren heeft de man de woning aangemerkt als toekomstig hoofdverblijf, dus als eigen woning in box 1. Maar volgens de belastinginspecteur valt de woning - als tweede woning - in box 3.
Hof Den Bosch volgt het standpunt van de inspecteur. Van een woning in aanbouw is duidelijk geen sprake. Maar ook van een leegstaande woning is geen sprake. Al sinds 2013 is de woning namelijk gemeubileerd. Bovendien verblijft het echtpaar in die jaren regelmatig één of twee weken in de woning. Geen woning onder de verhuisregeling dus, maar een ‘echte’ tweede woning. Die valt gewoon in box 3. Het gelijk is daarmee aan de inspecteur.
Een ander punt, minstens net zo belangrijk, is wie er opdraait voor de ontstane belastingschade. In deze fiscale procedure voor Rechtbank Noord-Nederland speelde die vraag niet. Dat is immers geen zaak voor een belastingrechter. In een recente Kifid-uitspraak van 2 maart 2026 speelde dit wel (2026-0205). Ook in die zaak was het aflossingsschema niet goed ingezet in de nieuwe financieringsopzet. Het Kifid oordeelt in deze zaak dat de adviseur van belanghebbenden de schade die is ontstaan als gevolg van het verkeerde advies moet vergoeden.
Dat omvat in principe ook de fiscale schade, het gemis van het voorgespiegelde voordeel van hypotheekrenteaftrek. Maar die schade was er in deze zaak opmerkelijk genoeg dan weer niet. De belastinginspecteur had namelijk verklaard dat hij, gelet op het beperkte fiscale belang, voor de volledig in aanmerking genomen hypotheekrenteaftrek, geen navorderingsaanslagen zal opleggen. Dat is dus zeer coulant van de betreffende inspecteur. Ik zou er niet op vertrouwen dat de Belastingdienst eenzelfde coulance in andere zaken in acht neemt.
Dit alles is op zich niet nieuw. Opmerkelijk is het daarentegen wel dat er maar zo weinig rechtspraak is over de fiscale aflossingseis. Wetende dat het in de praktijk nog wel eens fout gaat, zou je verwachten dat er veel meer gerechtelijke procedures zijn. Mogelijk kan de Belastingdienst slecht handhaven op de fiscale aflossingseis. Het kan ook zijn dat er binnen de Belastingdienst nooit echt veel aandacht is uitgegaan naar aflossingsschema’s.
Gaat dit veranderen? Ik denk het niet. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de fiscale aflossingseis een speerpunt in de controle van belastingaangiften gaat worden, maar helemaal uitsluiten kan ik het natuurlijk ook niet.
‘Vertrouw niet op eenzelfde coulance in andere zaken’
In die zaak heeft een man voor de aankoop van zijn woning een hypotheek gesloten die keurig netjes aan de fiscale aflossingseis voldoet. In 2021 sluit hij de hypotheek over. Met de geldverstrekker spreekt hij een looptijd af van - opnieuw - 360 maanden. De betaalde rente trekt hij in zijn aangifte inkomstenbelasting af. De inspecteur weigert die aftrek. Er wordt door de duurverlenging ten opzichte van de oorspronkelijke hypotheek immers niet meer voldaan aan de fiscale aflossingseis. Dus valt de lening in box 3.
De man is het hier niet mee eens. Hij heeft zijn hypotheek in 2024 zodanig aangepast dat de lening alsnog weer voldoet aan de fiscale aflossingseis. Maar dat helpt de man niet. De rechtbank geeft aan dat aan deze reparatie geen terugwerkende kracht kan worden toegekend. Over de jaren waarin niet voldaan is aan de fiscale aflossingseis, krijgt de man geen renteaftrek. Een aanpassing van de hypotheek heeft dus alleen effect vanaf het moment van aanpassing.
Auteur Ruben Stam
Sinds 2013 is de eigenwoningregeling ‘verrijkt’ met de fiscale aflossingseis. Voor sinds 2013 gesloten nieuwe eigenwoningschulden geldt dat de eigenwoningschuld in maximaal 360 maanden (30 jaar) volgens een ten minste annuïtair aflossingsschema volledig moet worden afgelost. Wordt niet aan deze fiscale aflossingseis voldaan, dan valt de lening in box 3.
Hoewel deze eis inmiddels - ruim dertien jaar na inwerkingtreding - toch wel bekend mag worden verondersteld, merk ik dat in de praktijk regelmatig lopende aflossingsschema’s niet (juist) worden meegenomen in de financieringsopzet. Een kennelijk nogal hardnekkig misverstand is dat bij het oversluiten of meenemen van de hypotheek de looptijd opnieuw op 360 maanden mag worden gezet. De wet is daarover echter volstrekt duidelijk: lopende aflossingsschema’s moeten worden voortgezet. In een gerechtelijke procedure heeft Rechtbank Noord-Nederland dat op 8 januari 2026 nog maar eens bevestigd (ECLI:NL:RBNNE:2026:30).
In deze bijdrage ga ik in op drie gerechtelijke uitspraken over de eigenwoningregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001. In de eerste zaak staat de fiscale aflossingseis centraal. In de twee andere uitspraken gaat het om het begrip eigen woning. Bij de eerste gaat het om de toepassing van de verhuisregeling voor het toekomstige hoofdverblijf en bij de tweede om de toepassing van de uitzendregeling.
Fiscale rechtspraak eigenwoningregeling
De eigenwoningregeling kan bij wijze van hoofdregel alleen gelden voor de woning die als hoofdverblijf dient. Maar de wetgever heeft het begrip ‘eigen woning’ in bepaalde situaties verruimd. Zo kan het voormalige hoofdverblijf gedurende een zekere periode een eigen woning blijven als deze leeg staat en voor verkoop bestemd is.
Ook in de spiegelbeeldsituatie - het toekomstige hoofdverblijf - kan de eigenwoningregeling toepassing vinden. Daar heeft de wetgever uiteraard voorwaarden aan gesteld. Zo moet de woning leeg staan of in aanbouw zijn. Vorig jaar heeft hof Den Bosch over deze situatie een uitspraak gedaan (ECLI:NL:GHSHE:2025:2854).
Het ging in die zaak om een Duits echtpaar. Sinds 2011 hebben zij een woning in Nederland. De woning wordt niet verhuurd. Na het overlijden van zijn echtgenote verhuist de man eind 2021 naar de woning in Nederland. Het gaat in deze procedure over de belastingjaren 2017 en 2018. In die jaren heeft de man de woning aangemerkt als toekomstig hoofdverblijf, dus als eigen woning in box 1. Maar volgens de belastinginspecteur valt de woning - als tweede woning - in box 3.
Hof Den Bosch volgt het standpunt van de inspecteur. Van een woning in aanbouw is duidelijk geen sprake. Maar ook van een leegstaande woning is geen sprake. Al sinds 2013 is de woning namelijk gemeubileerd. Bovendien verblijft het echtpaar in die jaren regelmatig één of twee weken in de woning. Geen woning onder de verhuisregeling dus, maar een ‘echte’ tweede woning. Die valt gewoon in box 3. Het gelijk is daarmee aan de inspecteur.
Een ander punt, minstens net zo belangrijk, is wie er opdraait voor de ontstane belastingschade. In deze fiscale procedure voor Rechtbank Noord-Nederland speelde die vraag niet. Dat is immers geen zaak voor een belastingrechter. In een recente Kifid-uitspraak van 2 maart 2026 speelde dit wel (2026-0205). Ook in die zaak was het aflossingsschema niet goed ingezet in de nieuwe financieringsopzet. Het Kifid oordeelt in deze zaak dat de adviseur van belanghebbenden de schade die is ontstaan als gevolg van het verkeerde advies moet vergoeden.
Dat omvat in principe ook de fiscale schade, het gemis van het voorgespiegelde voordeel van hypotheekrenteaftrek. Maar die schade was er in deze zaak opmerkelijk genoeg dan weer niet. De belastinginspecteur had namelijk verklaard dat hij, gelet op het beperkte fiscale belang, voor de volledig in aanmerking genomen hypotheekrenteaftrek, geen navorderingsaanslagen zal opleggen. Dat is dus zeer coulant van de betreffende inspecteur. Ik zou er niet op vertrouwen dat de Belastingdienst eenzelfde coulance in andere zaken in acht neemt.
Dit alles is op zich niet nieuw. Opmerkelijk is het daarentegen wel dat er maar zo weinig rechtspraak is over de fiscale aflossingseis. Wetende dat het in de praktijk nog wel eens fout gaat, zou je verwachten dat er veel meer gerechtelijke procedures zijn. Mogelijk kan de Belastingdienst slecht handhaven op de fiscale aflossingseis. Het kan ook zijn dat er binnen de Belastingdienst nooit echt veel aandacht is uitgegaan naar aflossingsschema’s.
Gaat dit veranderen? Ik denk het niet. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de fiscale aflossingseis een speerpunt in de controle van belastingaangiften gaat worden, maar helemaal uitsluiten kan ik het natuurlijk ook niet.
Een andere fictieregeling is de zogeheten uitzendregeling. Hoewel uitzending geen wettelijke eis is, is het doorgaans wel die situatie waarin de regeling over het algemeen toepassing vindt. De woning kan dan voor de heffing van inkomstenbelasting op verzoek van de belastingplichtige nog steeds worden aangemerkt als eigen woning. Ook daaraan zijn voorwaarden gesteld. Zo moet de woning de belastingplichtige tijdelijk niet als hoofdverblijf dienen. Dat is bij tijdelijke uitzending natuurlijk het geval.
Maar in een zaak voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant lagen de feiten toch anders (ECLI:NL:RBZWB:2025:8780). Daar was de woningeigenares verhuisd naar Zweden, waar zij een arbeidscontract voor onbepaalde tijd en een langdurig huurcontract had gesloten. Dat de woning in Nederland haar daarmee slechts tijdelijk niet als hoofdverblijf zou dienen, kon zij niet aannemelijk maken. Daarmee viel het doek voor de toepassing van de eigenwoningregeling.
Auteur Ruben Stam
Sinds 2013 is de eigenwoningregeling ‘verrijkt’ met de fiscale aflossingseis. Voor sinds 2013 gesloten nieuwe eigenwoningschulden geldt dat de eigenwoningschuld in maximaal 360 maanden (30 jaar) volgens een ten minste annuïtair aflossingsschema volledig moet worden afgelost. Wordt niet aan deze fiscale aflossingseis voldaan, dan valt de lening in box 3.
Hoewel deze eis inmiddels - ruim dertien jaar na inwerkingtreding - toch wel bekend mag worden verondersteld, merk ik dat in de praktijk regelmatig lopende aflossingsschema’s niet (juist) worden meegenomen in de financieringsopzet. Een kennelijk nogal hardnekkig misverstand is dat bij het oversluiten of meenemen van de hypotheek de looptijd opnieuw op 360 maanden mag worden gezet. De wet is daarover echter volstrekt duidelijk: lopende aflossingsschema’s moeten worden voortgezet. In een gerechtelijke procedure heeft Rechtbank Noord-Nederland dat op 8 januari 2026 nog maar eens bevestigd (ECLI:NL:RBNNE:2026:30).
In die zaak heeft een man voor de aankoop van zijn woning een hypotheek gesloten die keurig netjes aan de fiscale aflossingseis voldoet. In 2021 sluit hij de hypotheek over. Met de geldverstrekker spreekt hij een looptijd af van - opnieuw - 360 maanden. De betaalde rente trekt hij in zijn aangifte inkomstenbelasting af. De inspecteur weigert die aftrek. Er wordt door de duurverlenging ten opzichte van de oorspronkelijke hypotheek immers niet meer voldaan aan de fiscale aflossingseis. Dus valt de lening in box 3.
De man is het hier niet mee eens. Hij heeft zijn hypotheek in 2024 zodanig aangepast dat de lening alsnog weer voldoet aan de fiscale aflossingseis. Maar dat helpt de man niet. De rechtbank geeft aan dat aan deze reparatie geen terugwerkende kracht kan worden toegekend. Over de jaren waarin niet voldaan is aan de fiscale aflossingseis, krijgt de man geen renteaftrek. Een aanpassing van de hypotheek heeft dus alleen effect vanaf het moment van aanpassing.
In deze bijdrage ga ik in op drie gerechtelijke uitspraken over de eigenwoningregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001. In de eerste zaak staat de fiscale aflossingseis centraal. In de twee andere uitspraken gaat het om het begrip eigen woning. Bij de eerste gaat het om de toepassing van de verhuisregeling voor het toekomstige hoofdverblijf en bij de tweede om de toepassing van de uitzendregeling.
Fiscale rechtspraak eigenwoningregeling